Het menselijk lichaam omvat gemiddeld 206 botten. Deze zitten vast aan gewrichtsbanden en pezen. Botten, gewrichtsbanden en pezen vormen een beschermend en ondersteunend stelstel voor de spieren en het zachte weefsel dat eronder ligt.

Het bottenstelsel bestaat uit twee delen: het axiale skelet en het appendiculaire skelet. Onder het axiale skelet vallen onder meer de schedel, de wervelkolom, de ribben en het borstbeen; totaal tachtig botten. Onder het appendiculaire skelet vallen de schouder- en de bekkengordel en de botten van de ledematen. Dit deel van het bottenstelsel telt 126 botten: 64 in de schouders en bovenste ledematen en 62 in het bekken en de onderste ledematen. Er zijn slechts kleine verschillen tussen de bottenstelsels van mannen en vrouwen. De botten van mannen zijn over het algemeen groter en zwaarder dan dezelfde botten bij vrouwen. Daarnaast is de bekkenholte bij vrouwen groter om het baren van kinderen mogelijk te maken.

Het skelet speelt in combinatie met spieren een belangrijke rol bij het bewegen van het lichaam. Ook beschermt en ondersteunt het bottenstelsel de organen. Verder is het een efficiënte fabriek die rode bloedcellen uit het beenmerg van bepaalde botten aanmaakt en witte bloedcellen uit het beenmerg van andere botten, waarmee schadelijke bacteriën kunnen worden vernietigd. Tot slot zijn de botten een opslagplaats voor mineralen, waaronder calcium, die aan andere delen van het lichaam afgegeven kunnen worden.